zondag 13 mei 2018

ING Bank besteelt haar cliënten met hulp van haar tot op het bot corrupte klassenrechters (Deel 3)

Gonnie Hofs-Akkermans
Rechters, raadsheren, advocaten en aanverwant tuig, passen steeds meer gerechtelijke, levensingrijpende misdrijven toe op grote groepen van de niet belangrijk geachte bevolking. Allemaal voor de vuile belangen van grote organisaties/bedrijven of andere boven ons gestelden. Steeds meer slachtoffers van de Zwarte Toga Maffia draaien vanwege zoveel onrecht, wat schaamteloos open en bloot op hen  wordt toegepast, volledig door en gaan rare dingen doen. Mevrouw Hofs houdt het hoofd koel en gaat ondanks haar rouw door met haar strijd.


_____________________________

Ingezonden stuk: 

Betekenis artikel 17 Clausuleblad   

Zoals in >>> aflevering 2 is gemeld is de gehele vordering X (10) van ons op ING
ad € 56.788,85 door het Hof afgewezen. In dit bedrag was dus opgenomen het bedrag van € 9.941,03 inzake de zogenaamde postbankvordering. Blijft over: een bedrag van
€ 46.847,82.

Ook deze vordering is door het Hof op foutieve gronden afgewezen, waarbij het is afgegaan op het door ING ook betreffende dit bedrag in haar processtukken gepleegde bedrog.

De bewijsvoering van dat bedrog en ook de bewijsvoering omtrent onzinnige en foutieve stellingen zijdens ING in haar conclusie van antwoord (in eerste aanleg) en in haar memorie van antwoord (in hoger beroep) zal ik onderstaand leveren, waarbij ik deels teruggrijp op het reeds in aflevering 2 gestelde.

Onder randnummer 4.90  van haar conclusie van antwoord d.d. 20 februari 2013 in reactie op de door mijn man en mij op 20 november 2012 tegen ING uitgebrachte dagvaarding stelt ING eerst dat het bedrag van € 56.788,85 advocaat-notaris- en uitwinningskosten betreft en geeft zij toe, dat zij de betreffende bedragen zondermeer van onze rekening-courant-rekening heeft afgeboekt. Verder vindt zij, dat wij het recht om over die afboekingen te klagen op grond van wetsartikel 6:89 BW hebben verloren.

Dit artikel is in deze echter niet van toepassing, omdat het niets van doen heeft met de door ING begane onrechtmatige daden, zijnde dus meerdere onterechte debiteringen van onze rekening-courant-rekening, maar slechts duidt op een gebrek terzake een prestatie. 

Dit wetsartikel luidt namelijk:
De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.

Afgezien van het niet van toepassing zijn van wetsartikel 6:89 BW, hetgeen wij in onze Akte d.d. 21 augustus 2013 uitdrukkelijk hebben gesteld en toegelicht, hebben wij wel degelijk en dit meerdere malen tegen die onrechtmatige boekingen geprotesteerd, hetgeen o.a. blijkt uit de eiswijziging, die onze advocaat reeds in een brief van 11 november 2008  tijdens een eerdere procedure aan zowel de rechtbank als aan de toenmalige advocaat van ING (mr. Netten)  heeft verzonden en waarop onder randnummer 8 van onze Akte van 21 augustus 2013 wederom wordt gewezen.
Die belangrijke eiswijziging is overigens in die eerdere procedure door zowel de rechtbank als het Hof genegeerd !!. 

Spraakmakend is het volgende:
Tijdens de comparitie van partijen d.d. 25 juni 2013 heeft de heer Goosmann van ING tot ons ongeloof tegenover de rechter verklaard, dat de bank toentertijd (dus in het
jaar 2008) administratief, dat wil volgens hem zeggen:  qua boekhoudkundige systematiek,  geen andere mogelijkheid had dan die kosten (dus de notaris- advocaat- en uitwinningskosten) “weg te werken” dan wel te boeken via de cliënt-rekening van eisers, zijnde dus in dit geval mijn man en ik. Deze absurde uitspraak is te lezen in het proces-verbaal van de comparitiezitting. De rechter heeft toen gesteld, dat het onbegrijpelijk is, dat  ING na 1 juli 2008 nog zo gehandeld heeft, van welke stelling in het vonnis van 4 december 2013 helaas niets is terug te vinden, in tegendeel dus. Ná 1 juli 2008 heeft ING onze rekening-courant-rekening nog met een bedrag van € 46.035,99 gedebiteerd inzake advocaat- en notariskosten. Een bedrag van € 811,83 is door ING reeds tijdens onze  schuldsaneringsperiode ten onrechte van onze rekening gehaald.

Nota bene: Op 30 juni 2008 hebben wij “onder protest” een bedrag van € 265.000,-- overgemaakt op de derdengeldrekening van DLA, dit ter voorkoming van de veiling van onze woning op 1 juli 2008. Daaromtrent heeft ING in haar conclusie van antwoord verklaard, dat dit bedrag diende ter voldoening van haar gehele vordering, waarbij zij wel de opmerking maakt, dat zij Hofs c.s. heeft toegezegd (!) later nog het definitieve bedrag te zullen mededelen en dat die vordering per 1 juli blijkt neer te komen op een bedrag van € 270.468,43.  

In een bij onze dagvaarding overgelegde brief van 10 juli 2008 schrijft ING, dat zij ons op 21 mei 2008 heeft bericht, dat er € 265.000,-- diende te worden betaald om tot een integrale aflossing van het verschuldigde bedrag te komen, waarbij zij in tegenstrijd daarmee vervolgens verkondigt, dat zij per de aflossingsdatum van 1 juli 2008 uitkomt op een bedrag van € 270.468,43.

In een telefoongesprek van 14 juli 2008 heeft de heer D. van den Berg (van dezelfde afdeling waar de heer Goosmann werkt)  aan mij verteld, dat met de betaling van het bedrag van € 265.000,-- de rekening-courant-rekening zou worden opgeheven en de zaak gesloten was, hetgeen wij ook in onze dagvaarding hebben vermeld.  

Ook de notaris, die de opdracht tot executoriale verkoop van ING heeft ontvangen heeft verklaard, dat met betaling van € 265.000,-- de gehele vordering was voldaan.

ING heeft het Hof in haar memorie van antwoord in de door ons geëntameerde hoger beroep procedure inzake het vonnis d.d. 4 december 2013 van de rechtbank Overijssel voorgehouden, dat wij de advocaat- en notariskosten verschuldigd waren op grond van artikel 17 van het clausuleblad, behorende bij de op 3 september 2002 afgesloten kredietovereenkomst, hetgeen een grove miskenning van dat artikel is, hetgeen ING natuurlijk heel goed wist.

De bewijsvoering: Artikel 17 van het clausuleblad luidt:

“Alle kosten waartoe het met  de bank overeengekomene te eniger tijd aanleiding kan geven,  zoals alle gerechtelijke en  buitengerechtelijke kosten komen voor rekening van de kredietnemer. De hiervoor bedoelde kosten dienen op eerste verzoek van de bank door de kredietnemer te worden voldaan.

Ieder zinnig mens zal begrijpen, dat artikel 17 van het clausuleblad niet betekent, dat ING wanneer één van haar kredietnemers een vordering tegen haar instelt in verband met het met haar overeengkomene, dit omdat zijzelf haar verplichtingen niet nakomt
of anderszins de fout is ingegaan, dan sowieso alle aan haar zijde gemaakte kosten aan haar dient te vergoeden. Een dergelijke voorwaarde zou onmiddellijk naar de zwarte lijst worden verbannen.

Met dat artikel  wordt natuurlijk bedoeld, dat wanneer een kredietnemer niet aan zijn verplichtingen terzake het overeengekomene voldoet en ING kosten moet maken om hem daartoe te dwingen, dan die kosten voor rekening van de kredietnemer komen.  Vanzelfsprekend is het dan ook zo,  zoals ook ING zelf in dit artikel 17 zegt, dat zij de kredietnemer eerst dient te verzoeken deze kosten te voldoen, dit uiteraard vergezeld van een specificatie van de betreffende kosten, waarop haar kredietnemer indien deze het niet eens is met de betaling daarvan daarop commentaar kan leveren. Hoor en wederhoor.

In haar memorie van antwoord in de hoger beroep procedure stelt ING zelfs, dat zij
op grond van artikel 17 van het Clausuleblad gerechtigd is om niet alleen juridische en uitwinningskosten door te belasten terzake de (door ons opgestarte) lopende bodemprocedure, maar tevens kosten inzake de door ons op 25 juni 2008 geëntameerde eerdere bodemprocedure (dit met de grondslag dwaling), welke visie uiteraard te gek voor woorden is. 

Bovendien laat ING bewust na te vermelden, dat artikel 17 ook aangeeft, dat die kosten op eerste verzoek van de bank door de kredietnemer dienen te worden voldaan. 

Het spreekt voor zich, dat in het onderhavige geval met betrekking tot de door ING gemaakte proceskosten artikel 28 van de Algemene Voorwaarden van toepassing is, van die Algemene Voorwaarden onder punt 1 van het clausuleblad ook wordt gesteld, dat die gelden voor zover daaromtrent geen andere regeling wordt getroffen.  Dat artikel 28 houdt in, dat de kosten van rechtsbijstand die ter zake van een geschil tussen een cliënt en de bank zijn gemaakt in een procedure voor de rechter of een geschillencommissie, voor rekening van cliënt respectievelijk voor rekening van de bank komen, indien en voor zover zulks bij uitspraak van die rechter of geschillencommissie is bepaald, hetgeen ook een correcte en logische voorwaarde is.

Zoals veelal gebeurt heeft het Hof er in elk geval voor gezorgd, dat de grootste partij, bijgestaan door een groot en gerenommeerd advocatenkantoor (DLA) heeft gewonnen, wat er ook zij van de vele foutieve en onbegrijpelijke stellingen van haar advocaat mr. Atema.  Dit simpelweg door ING in haar abjecte procesvoering te volgen en al onze overtuigende bewijsvoering in deze te negeren.

In zijn arrest d.d. 13 oktober 2015 (zaaknummer 200.143.259) heeft het
Hof Arnhem-Leeuwarden in r.o. 3.24 tot onze verbijstering dus gesteld, dat ING het bedrag van € 56.788,85 (vordering X (10) betreffende) niet aan ons hoeft terug te betalen, omdat ING onze rekening-courant-rekening terecht met het dit bedrag
(dit in deel-afschrijvingen) heeft gedebiteerd op grond van artikel 17 van het bij de kredietovereenkomst behorende clausuleblad, aldus het Hof. 
Het Hof citeert net als ING heeft gedaan bovendien slechts een deel van dat artikel 17, namelijk:

“Alle kosten waartoe het met  de bank overeengekomene te eniger tijd aanleiding kan geven,  zoals alle gerechtelijke en  buitengerechtelijke kosten komen voor rekening van de kredietnemer”.

Het Hof laat dus net als ING en de rechtbank de laatste zin van dat artikel weg, welke zin luidt: De hiervoor bedoelde kosten dienen op eerste verzoek van de bank door de kredietnemer te worden voldaan.

Het is werkelijk niet te bevatten, dat drie raadsheren (zijnde mrs. H.E. de Boer, L.M.Croes en H.L.Wattel) het normaal vinden, dat een bank een rekening-courant-rekening van haar cliënten zonder machtiging, zonder enige aankondiging vooraf en ook nog eens op de verkeerde gronden leeghaalt !!.

Let wel: Zowel de Rabobank als de ING-bank geven zelfs na een machtiging van een cliënt om periodiek geld van zijn of haar rekening af te schrijven, dit meestal inzake vrijgevallen hypotheekrente, voorafgaande  aan die afschrijving bericht wanneer deze
zal plaatsvinden. Dit met de opmerking, dat er dan gecontroleerd kan worden of die afschrijving terecht is en dat wanneer deze niet terecht is deze dan geweigerd kan worden of wanneer de incasso al heeft plaatsgevonden deze in veel gevallen nog teruggeboekt kan worden met de Mobiel Bankieren app.


Saillant detail: op enig moment heeft ING onze rekening-courant-rekening, die dus op naam van mijn man en mij stond, zijnde een privérekening, plotseling omgedoopt tot een zakelijke rekening, waardoor het Hof in één van de procedures ons als ondernemer heeft beschouwd, hetgeen gunstig voor ING uitpakte.

In de vierde aflevering betreffende de onoorbare handelwijze door ING zal ik bewijzen, dat ING ons ten onrechte heeft opgezadeld met hoge advertentiekosten, dit via een wel heel smerig trucje, daarbij geholpen door notaris mr. Laenen van DLA-Piper.  Deze notaris voert alle door haar van ING ontvangen opdrachten tot gedwongen verkoop van woningen klakkeloos uit, of beter gezegd: zij laat dit doen door een medewerkster van het notariaat, zijnde mw. Holslag, welke dame niet de deskundigheid bezit om een complexe zaak als de onze te beoordelen en niet in staat is te signaleren, dat niet alle opdrachten van ING koosjer zijn. Inzake  de eveneens verwerpelijke en frauduleuze handelwijze in deze van DLA, waartegen wij ook een procedure hebben opgestart in verband met de handelwijze van notaris Laenen en haar medewerkster mw. Holslag, zal ik t.z.t. ook uitgebreid verslag doen op de website www.vrouwejustitiainverval.nl. Daarmede zal ik uiteraard tegelijkertijd bewijzen, dat zowel de advocaten van ING als die van DLA, die in feite dus de procesvoering hebben gedaan,  een  ontoelaatbare en bedrieglijke rol hebben gespeeld en dat deze beëdigde functionarissen hun taak niet uitvoeren zoals beoogd en verplicht, in tegendeel dus.  

Ik wijs in deze op de volgende uitspraken en regels, die wat mij betreft onmiddellijk naar de prullenbak kunnen worden verwezen, omdat zij niets met de realiteit van doen hebben, maar alleen worden geponeerd om burgers voor de gek te houden en braaf de uitkomst van vuile vonnissen en arresten te accepteren.  

In een brief van voormalig minister Donner aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 23 december 2004 betreffende Rechtsstaat en Rechtsorde staat o.a. het volgende:

  • De advocaat is de poortwachter tot en de begeleider op de weg naar het recht. De mate waarin de advocatuur er in slaagt deze rol goed te vervullen geeft in zekere zin de kwaliteit van de rechtsstaat weer. Kortom, een goed functionerende krachtige en integere advocatuur als poortwachter tot en onderdeel van het rechtsbestel is onmisbaar in onze samenleving.
  • De advocaat heeft een belangrijke publieke medeverantwoordelijkheid voor de effectuering van het recht. Dit betekent onder meer dat hij de plicht heeft partijdigheid voor de cliënt te combineren met een juiste toepassing van het procesrecht.
De Orde van Advocaten stelt  in de inleiding Gedragsregels van 1992 hieromtrent als volgt:   

De medeverantwoordelijkheid voor de rechtsbedeling brengt tevens mee dat de advocaat oog  dient te hebben  voor de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij en een goed verloop van de processen. Dit is in essentie de functionele beroepswaarde van de advocaat. De advocaat is
medeverantwoordelijk voor een eerlijke procesgang.

Ik durf te stellen, dat het door de magistraten steunen van het onverteerbare en schandalige gedrag van ING veel te maken heeft  met het door ING huisbankier zijn van de overheid. Geen rechter zal het zodoende in zijn hoofd halen om een bank, die bovendien de eed van integriteit heeft afgelegd en met geld van de belastingbetaler is gered toen zij enkele jaren geleden dreigde om te vallen, wegens bedrog te veroordelen (want dat is hetgeen ING onomstotelijk in deze heeft gepleegd). 

Voor de bank zelf is een dergelijke handelwijze zeer gunstig terzake het uitbetalen van de enorme salarissen en bonussen aan haar bestuurders en dividenden aan de aandeelhouders. Dat met een dergelijke gang van zaken burgers (in dit geval een man van 80 jaren en een vrouw van 75 jaren) de dupe worden en tot de bedelstaf worden gebracht zal ING, onze magistraten en de politiek worst zijn. Dit alles raakt mij des te meer, omdat mijn man op 16 augustus 2017 aan hartklachten is overleden, waaraan zeker de enorme stress met betrekking tot de houding van ING en de erbarmelijke en onrechtvaardige vonnissen debet zijn geweest. Ook is mijn vaste overtuiging dat vele duizenden burgers, dit zonder het te weten, in de afgelopen jaren de dupe zijn geworden van een vergelijkbare uiterst verwerpelijke gang van zaken.

De door het Hof ditmaal in zijn arrest d.d. 13 oktober 2015 aan ons opgelegde “boete” (proceskosten) bedroeg  € 10.956,50 !