KLOKKENLUIDERVERVOLGING
DE MATE WAARIN EEN KLOKKENLUIDER VERVOLGD WORDT, LAAT ZIEN HOE GRAAG MEN DE FEITEN IN DE DOOFPOT HOUDT!
HOE MEER WAARHEID, DES TE MEER VERVOLGING!

De juridische misslagen, verzuimen ten nadele van Hofs c.s. en partijdigheid in het vonnis d.d. 30 maart 2017.

Dit vonnis is gewezen door een voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zijnde mr. W. Hangelbroek

Zoals Gonnie Akkermans in haar interview al voorspelde is de zaak voor haar en haar man (verder Hofs c.s.) tegen bestuurder P.Silderhuis van vastgoedmaatschappij V.N.I. Enschede B.V. betreffende hun conservatoire beslaglegging op de woning van Silderhuis verkeerd afgelopen.

Hofs c.s. beginnen met te stellen, dat hen reeds bij binnenkomst ter zitting van 16 maart 2017 bleek, dat de voorzieningenrechter (mr. Hangelbroek) hen slecht gezind was, hetgeen ook bleek uit de verwijten die hij Akkermans even later maakte. Zij zou veel te diep op de reeds zeer lang lopende zaak ingaan, waarmee hij eigenlijk bedoelde, dat zij moest ophouden met te procederen, waarbij hij stelde, dat haar man het allemaal niet meer zo zag zitten. Het voorlezen van de pleitnota werd nauwelijks door hem toegestaan.

De houding van de voorzieningenrechter heeft volgens Akkermans te maken met het feit, dat zij hem na afloop van een zitting van 19 oktober 2016 had verweten, dat hij zich ten opzichte van haar zoon Raymond oneerlijk had opgesteld, dit ten gunste van V.N.I., dit door het door hem weigeren het door R.T.B.Hofs opgestelde stuk met daarin alle juridische misslagen van het arrest d.d. 19 april 2011 in ontvangst te nemen. In die zitting had hij namelijk aangegeven, dat aandelen van Hofs jr. in zijn B.V. door V.N.I. in beslag mochten worden genomen op grond van dit (foutieve) arrest d.d. 19 april 2011. N.B. In zijn latere Beschikking d.d. 30 november 2015 ten gunste van V.N.I. heeft deze rechter in r.o. 4.6 het zelfs bestaan te beweren, dat R.T.B.Hofs geen bewijsvoering had geleverd, dat dit arrest feitelijke of juridische misslagen bevatte, hetgeen een schandalige bewering was gezien het door hem weigeren de betreffende bewijsvoering in ontvangst te nemen.

In r.o. 4.5 stelt de voorzieningenrechter, dat Hofs c.s. in hun beslagrekest hebben gesteld, dat alle bestuurders van V.N.I. hadden kunnen bevroeden, dat uiteindelijk de uitkomst voor B.Th.Hofs gunstig zou zijn, dat dat ook is uitgekomen door het arrest van het gerechtshof Arnhem van 2 oktober 2012 en ook, dat zij hadden kunnen bevroeden dat er dan door V.N.I. schadevergoeding zou moeten worden betaald en dat alle bestuurders wisten dat zij deze schadevergoeding niet zouden kunnen betalen. Vervolgens stelt de voorzieningenrechter, dat hij deze stellingen onvoldoende acht om thans te kunnen aannemen, dat van een persoonlijk ernstig verwijt aan de zijde van Silderhuis als bestuurder van V.N.I. sprake is. 


Als onderbouwing voor dat oordeel stelt de voorzieningenrechter, dat V.N.I. executiemaatregelen heeft genomen naar aanleiding van een vordering die op 30 januari 2004 in kort geding en op 13 april 2010 door de kantonrechter was toegewezen en dat ook niet aannemelijk is, dat Silderhuis wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen, dat het vonnis van 13 april 2010 juridische misslagen bevatte.

Onbegrijpelijk en schandalig is het verzuim van de voorzieningenrechter in zijn vonnis rekening te houden met het feit, dat er zijdens Hofs c.s. in hun Verzoekschrift tot beslaglegging d.d. 26 februari 2017 onder de punten 4.4 t/m 6 en deels herhaald in hun pleitnota en die van hun advocaat ter zitting d.d. 16 maart 2017 onomstotelijk is bewezen, dat met name de beide heren H. en P. Silderhuis als bestuurders ernstige verwijten kunnen worden gemaakt door het bewust begaan van onrechtmatige daden jegens Hofs c.s. en het zelfs meermaals plegen van fraude en bedrog met betrekking tot het vonnis d.d. 30 januari 2004, dienaangaande V.N.I. bovendien vanwege de door Hofs c.s. in hun Verzoekschrift en pleitnota’s genoemde omstandigheden helemaal geen executiemaatregelen had kunnen nemen, dit althans niet volgens de geldende regels heeft gedaan en hetgeen ook nooit de bedoeling is geweest, omdat V.N.I. andere (frauduleuze) bedoelingen had !. 


De door Hofs c.s. door de handelwijze van de bestuurders van V.N.I. geleden aanzienlijke schade is toegelicht onder de punten 6 en 9 van het Verzoekschrift.

Verder stelt de voorzieningenrechter in r.o. 4.5, dat hierbij onvoldoende onaannemelijk is geworden, dat Silderhuis als bestuurder van V.N.I. ten tijde van het nemen van de executiemaatregelen wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen, zoals door Hofs c.s. betoogd, dat het vonnis van 13 april 2010 juridische misslagen bevatte. Dit is een ongelooflijk foutieve stelling gezien het door Hofs c.s. in hun pleitnota onder i) stellen, dat zij in een brief van 26 mei 2010 aan V.N.I. hebben gemeld, dat door de kantonrechter in haar vonnis d.d. 13 april 2010 vele juridische misslagen zijn begaan, waarna zij liefst 7 van deze in die brief genoemde misslagen in hun pleitnota opsommen.

Onder punt 7 van het Verzoekschrift is de bewijsvoering geleverd, dat alle bestuurders van V.N.I. bekend waren met het reilen en zeilen van V.N.I. In verband met het geen verhaal bieden door V.N.I. is er betoogd, dat deze bestuurders meerdere malen kosten voor V.N.I. hebben betaald omdat zij daartoe zelf niet in staat was dan wel hebben aangegeven, dat de aandeelhouders of derden die kosten hebben gefourneerd. Met name heeft de advocaat van Hofs c.s. in zijn pleitnota onder punt 9.11 gewezen op hetgeen door hen in het Verzoekschrift is gesteld onder punt 7.7. Hofs c.s. hebben er in hun pleitnota ten overvloede nog op gewezen, dat de advocaat van V.N.I. op 17 oktober 2012 aan hun advocaat had medegedeeld, dat de proceskosten inzake het voor Hofs sr. gunstige arrest d.d. 2 oktober 2012 niet aan hem zouden worden betaald en dat de heren H. en P. Silderhuis overwogen de B.V. te laten “ploffen”. Ook is er door hen in hun pleitnota nog gemeld, dat B.Th.Hofs op 28 oktober 2013 van de deurwaarder vernam, dat het beslag op de bankrekening van V.N.I. slechts voor een bedrag van € 144.10 doel had getroffen en dat er ook geen onroerend goed meer op naam van V.N.I. bestond. Dit alles heeft de voorzieningenrechter compleet genegeerd.

In zijn pleitnota heeft de advocaat van Hofs c.s. bovendien belangrijke en in deze van relevantie zijnde jurisprudentie genoemd, zijnde HR 13 januari 1995, NJ 1997/366 en HR 8 december 2006, NJ 2006/659, dit in reactie op het door Silderhuis onder het kopje Tussenconclusie van zijn kortgedingdagvaarding stellen, dat (kortgezegd) V.N.I. tot het arrest van 2 oktober 2012 het recht had om de vonnissen d.d. 30 januari 2004 en d.d. 13 april 2010 te executeren en daardoor geen schade voor Hofs c.s. is ontstaan.

Gezien al het bovenstaande is het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 4.6 dus volslagen onbegrijpelijk, ten gronde foutief en uitermate partijdig. In die rechtsoverweging doet de voorzieningenrechter de bewijsvoering in het vonnis van 9 december 2014 inzake het geen verhaal bieden door V.N.I. af als zijnde van geen enkel belang en verzuimt hij rekening te houden met het door Hofs c.s. in verband daarmede in hun pleitnota nog meer gestelde en het door de advocaat in zijn pleitnota noemen van in deze van grote relevantie zijnde jurisprudentie.

De onderbouwing van zijn oordeel door de voorzieningenrechter, zijnde dat V.N.I. tot 2012 beschikte over een executoriale titel en het meegaan in de visie van Silderhuis, dat het nu juist zijn taak was om in het belang van de vennootschap en haar crediteuren haar openstaande vordering te incasseren is reeds ambtshalve gezien te gek voor woorden. Dit zeker gezien alle overtuigende bewijsvoering zijdens Hofs c.s. in hun Verzoekschrift en hun pleitnota’s, dat V.N.I. en haar bestuurders, waaronder ook P.Silderhuis, in de afgelopen jaren en met name ná het vonnis van 30 januari 2004 tal van onrechtmatige daden jegens Hofs c.s. hebben begaan, dit met aanzienlijke schade ten gevolge, en tevens vanwege hun overtuigende bewijsvoering, dat V.N.I. wanneer zij tot betaling van schadevergoeding aan Hofs c.s. wordt veroordeeld geen enkel verhaal zal bieden.

In r.o. 4.7 kondigt de voorzieningenrechter vervolgens aan, dat hij het door Hofs c.s. (op 22 februari 2017) gelegde conservatoir zelf zal opheffen, daardoor hun mogelijkheid om ooit nog hun enorme door V.N.I. aangerichte schade vergoed te krijgen, voorgoed torpederend, omdat hij door zijn oordeel de door Hofs c.s. aangesproken bestuurders de gelegenheid biedt hun bezittingen “weg te maken”. Tenslotte worden Hofs c.s. tot de hoge proceskoten van € € 1.931,-- veroordeeld.

Hofs c.s. verklaren uitdrukkelijk, dat deze rechter hen uit wraakgevoelens, gecombineerd met luiheid, desinteresse en partijdigheid, geheel ten onrechte in het ongelijk heeft gesteld en de rijke bestuurders van V.N.I. Enschede B.V. uit de wind heeft gehouden. Bovendien staat onomstotelijk vast, dat deze rechter valsheid in geschrifte heeft gepleegd ingevolge wetsartikel 225 Sr. lid 1, maar dat hij daarop nooit zal worden aangesproken door het OM.

Door het totaal verworden civiele rechtssysteem in Nederland durven Hofs c.s. met betrekking tot dit vuile vonnis ook geen executiegeschil te entameren alsook niet in hoger beroep te gaan, vrezend voor wederom ten onrechte veroordelingen en het opgezadeld worden met nog hogere proceskosten. Ook is weer eens onomstotelijk bewezen, dat liegen voor de rechter loont. Klassenjustitie !!

Met vriendelijke groet,

Gonnie Akkermans

VJIV                                     Terug naar de >>> Startpagina